Het `vredesproces' dat er nooit een was

Het westen is er gewoonlijk als de kippen bij om landen terecht te wijzen indien deze zich niet houden aan de regels van het internationaal recht. Behalve als dat land de naam IsraŽl draagt. Aan resoluties (VN en EU) en rechtsregels ontbreekt het nochtans niet. Wel aan de wil om ze toe te passen. Met de steun van eerst de Britten en vervolgens de VS heeft IsraŽl immers een politiek van voldongen feiten gecreŽerd waardoor het joods-Palestijns conflict in een absolute impasse is terecht gekomen. Volgens gezaghebbende commentatoren en politici moeten beide partijen blijven zoeken naar een vreedzame oplossing. Maar via een kleine historische terugblik is te zien dat de oplossing enkel en alleen van IsraŽl afhangt: de toepassing van de internationale resoluties en rechtsregels. Toen James Arthur Balfour op 2 november 1917 zijn inmiddels beruchte brief schreef aan Lord Rothschild, was amper 2 procent van de grond in Palestina in het bezit van de joden. Deze Balfour-verklaring had het overigens nog niet over een joodse staat, maar over een `nationaal tehuis voor het joodse volk'. De Britse minister van Buitenlandse Zaken schreef bovendien: "Daarbij moet het duidelijk zijn dat er aan de burgerlijke en religieuze rechten van de bestaande niet-joodse gemeenschappen niet geraakt mag worden, (Ö)". Maar daar is in de loop der jaren weinig van te merken geweest. Een reeks van `onrechtvaardigheden' in een notedop.

De eerste onrechtvaardigheid

Aan de vooravond van de stichting van de staat IsraŽl in 1948 was door aankopen 7 procent van de grond van het mandaatgebied Palestina in joodse handen terecht gekomen (79 procent daarvan in handen van Zionistische organisaties). Niettemin voorzag het verdelingsplan van de Verenigde Naties in 1947 (resolutie 181) dat ruim 54 procent van het grondgebied aan de Joodse bevolking zou worden toegewezen. Het plan werd door de Arabieren des te onrechtvaardiger gevonden, omdat Palestina op dat ogenblik werd bewoond door ruim tweemaal zoveel Palestijnen (1,4 miljoen tegenover 650.000 joden). De Arabische delegaties verwierpen dan ook het plan. Zij hadden hun voorkeur voor een Statenunie uitgesproken: ťťn staat Palestina met evenredige vertegenwoordiging voor de verschillende bevolkingsgroepen (islamieten, joden en christenen). De secretaris-generaal van de in 1945 opgerichte Arabische Liga, Abdul Rahman Azzam Pasha, verliet uit protest de vergaderzaal met de profetische woorden: "Deze scheidingslijn zal niets anders zijn dan een lijn van vuur en bloed". Na tal van schermutselingen tussen Palestijnen en joden roept Ben Goerion op 14 mei 1948 de nieuwe joodse staat IsraŽl in het leven. Vraag is: waar liggen de grenzen? Die vraag is nooit echt beantwoord. In elk geval zou gauw blijken dat de grondhonger van IsraŽl groter zou zijn dan het grondgebied dat de VN voor de joden had voorzien. Het uitroepen van de nieuwe staat wordt op hevig protest van de Arabische landen onthaald. Er breekt oorlog uit.

De tweede onrechtvaardigheid

Als gevolg van de oorlog en het bloedbad in het dorp Deir Yasien (10 mei 1948) waar de joodse Irgoen-militie naar schatting 250 Palestijnse dorpelingen, inclusief vrouwen, kinderen en zuigelingen vermoordde, vluchtten ongeveer 700.000 Palestijnen naar de buurlanden. Honderden Palestijnse dorpen zouden vervolgens met de grond gelijk gemaakt worden. De Algemene Vergadering van de VN kondigt daarop resolutie 194 (11 december 1948) af waarin gesteld wordt dat de Palestijnen die dat willen "zo gauw mogelijk" moeten kunnen terugkeren. Voorts moet er bij schade of verlies van eigendom of voor de Palestijnen die niet willen terugkeren een schadevergoeding worden uitgekeerd "ten laste van de verantwoordelijke regeringen en autoriteiten". De profetische woorden kwamen ditmaal van de IsraŽlische minister van Buitenlandse Zaken, Moshe Sharret (16 juni 1948): "ze komen niet terug - en dat is ons beleid". En zo geschiedde. Tot op heden is resolutie 194 onuitgevoerd gebleven. Erger nog, tijdens de onderhandelingen die van start gingen in Madrid en Oslo hebben de IsraŽli's de discussie over de terugkeer van de vluchtelingen zorgvuldig vermeden. Uitgesteld naar later, zoals dat heet. Nooit? De `Internationale Gemeenschap' (IG) is inmiddels `vergeten' IsraŽl te dwingen resolutie 194 uit te voeren.

De derde onrechtvaardigheid

Een ander gevolg van de oorlog van 1948 is dat IsraŽl zijn grondgebied heeft uitgebreid van 54 naar ongeveer 78 procent van het oorspronkelijk mandaatgebied Palestina. Tot de oorlog van 1967 zal amper 22 procent van het grondgebied nog in Palestijns/Arabische handen blijven, verdeeld over de Westelijke Jordaanoever (16 %) en de Gazastrook (6 %). Alsof er niets aan de hand is, verwerft IsraŽl op 11 mei het lidmaatschap van de Verenigde Naties, zij het verbonden aan de voorwaarde om resolutie 194 uit te voeren! Het VN-verdelingsplan is inmiddels verworden tot studie-object voor historici.

De vierde onrechtvaardigheid

In juni 1967 voert IsraŽl een `preventieve' aanval uit op de Arabische buurlanden en verovert daarbij de SinaÔ-woestijn en de Gaza op Egypte, de Golan-hoogte op SyriŽ en de Westelijke Jordaanoever met inbegrip van Oost-Jeruzalem en religieus zwaar beladen monumenten als de Klaagmuur en de al-Haram al-Sharif. Het Palestijnse grondgebied is vanaf dan volledig bezet door IsraŽl. De daarop afgekondigde resolutie 242 van de Veiligheidsraad van de VN, roept IsraŽl op om zich terug te trekken uit de Bezette Gebieden (tot vandaag is onduidelijk of daarmee ook de gebiedsuitbreiding tussen 1947 - het VN-verdelingsplan - en 1967 wordt bedoeld), met inbegrip van Oost-Jeruzalem. De IG heeft echter niets `voorzien' om resolutie 242 te laten uitvoeren.

De vijfde onrechtvaardigheid

Eťn van de belangrijke achterliggende redenen voor de oorlog van 1967 is de toegang tot water. Door de Westelijke Jordaanoever te bezetten krijgt IsraŽl ook de immense ondergrondse waterlagen ( de `Mountain Aquifer') onder controle. Deze dekken nagenoeg een derde van de IsraŽlische waterbehoefte. Meteen na de bezetting vaardigt IsraŽl verschillende militaire orders uit die bepaalden dat Palestijnen geen nieuwe putten mogen slaan en bestaande putten niet dieper mogen maken. Dit betekent een zware hypotheek op de Palestijnse landbouw. Van een dergelijk discriminerend waterbeleid blijven de Joodse nederzettingen, die de jaren daarop als paddestoelen uit de grond zullen rijzen, gespaard. Joodse kolonisten consumeren viermaal meer water dan hun Palestijnse buren. Zij beschikken ook over stromend water, wat niet kan gezegd worden van heel wat Palestijnse dorpen. De IsraŽlische waterpolitiek is strijdig met de Haagse en Geneefse Conventies (respectievelijk 1907 en 1949), volgens dewelke (indien toegepast) IsraŽl als bezettende mogendheid geen soevereiniteit beschikt over de natuurlijke hulpbronnen en slechts kan optreden als zaakwaarnemer en (in beperkte mate) vruchtgebruiker. M.a.w. IsraŽl moet optreden als goed beheerder. De IG laat tranen in rivieren vloeien, maar de Palestijnen blijven op droog zaad zitten.

De zesde onrechtvaardigheid

Hoewel de IG de bezetting van de Palestijnse gebieden via resolutie 242 en 338 (1973) illegaal heeft verklaard - zolang er geen definitief akkoord is tussen Palestijnen en IsraŽli's - is IsraŽl desondanks continu in de weer geweest om Joodse nederzettingen te bouwen met bijbehorende `bypass roads'. Inmiddels zijn daarvoor volgens de IsraŽlische mensenrechtenorganisatie B'Tselem 1.800 Palestijnse huizen verwoest. In de Algemene Vergadering van de VN is in 1981 een resolutie gestemd (141 voor, 1 tegen) waarin de Vierde Geneefse Conventie (1949) op de bezette gebieden van toepassing wordt verklaard. Artikel 49 (6) van de Conventie bepaalt: "De bezettende macht zal geen delen van de eigen bevolking deporteren of transfereren naar gebieden die hij bezet". Ook de Europese Unie heeft de nederzettingen steeds als illegaal bestempeld en is dat ook blijven doen na het afsluiten van de Oslo-akkoorden. De Verenigde Staten zaten een tijdlang op dezelfde golflengte, maar spreken sedert 1993 (Oslo) nog slechts over `een obstakel voor de vrede'. Duif of Havik, Oslo of geen Oslo, elke joodse regeringsleider bouwt tot vandaag vlijtig voort. Dat geldt ook voor nobelprijswinnaar en premier Rabin zaliger. Tussen 1991 en 1997 is het aantal Joodse Kolonisten met meer dan een kwart toegenomen. Die uitbreiding komt grotendeels op rekening van de `duiven'-regering Rabin/Peres, die goed is voor een toename met meer dan 32.000 joodse kolonisten. De IG staat zogezegd `machteloos'. Het strenge oordeel van de EU belet evenwel niet dat er sinds kort een Associatie-akkoord loopt waardoor IsraŽlische producten van gunstige handelsvoorwaarden genieten. Onder de IsraŽlische export vallen ook landbouwproducten uit de bezette gebieden. Daarmee schendt IsraŽl het Associatie- akkoord. Het kan evenwel rustig begaan omdat de EU niet geneigd is er tegen op te treden.

De zevende onrechtvaardigheid

(Het `vredesproces' dat er nooit geweest is). Na een eerste toenadering in Madrid monden de parellel gehouden geheime onderhandelingen in Oslo uit in een principe-verklaring: de "Declaration of Principles on Interim Self-Government" van 13 september 1993 (Oslo I), gevolgd door het Gaza/Jericho-akkoord (4 mei 1994) en de akkoorden van Taba (Oslo II - 28 september 1995). Achteraf kunnen we met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid stellen dat de Palestijnen er op zijn zachtst gezegd zijn ingeluisd. Niet alleen is het hele proces uitgemond in het verder verminken van Palestijns gebied en het volledig uithollen van resolutie 242, maar is het bovendien een instrument geworden om een definitieve regeling ver in de tijd vooruit te schuiven om zo gewoon verder een politiek van voldongen feiten te creŽren. De Palestijnse onderhandelaars hebben jammer genoeg meegewerkt aan het creŽren van `bantoestans' en de ligitimering van nieuwe annexaties door IsraŽl via de fameuze A- (3 % van het grondgebied - autonoom gebeid), B- (27 % - `bezet' autonoom gebeid), C-gebieden (70 % - met o.m. Joodse nederzettingen onder militaire bezetting).

Doorgaans speelt de pers en de westerse politieke wereld het spel mee. Door continu te spreken over een `vredesproces' is de indruk gewekt dat de Palestijnen nogal koppig tot zelfs onwillig zijn. Dat is onder meer gebeurd tijdens en na de laatste onderhandelingen in Camp David. Omdat IsraŽl bereid was om concessies te doen m.b.t. Jeruzalem, maar de Palestijnen dit maar een mager beestje vonden, zijn het deze laatsten die het `vredesproces' hebben doen mislukken. Om alle misverstanden te vermijden. Ten eerste: Oost-Jeruzalem is altijd bezet gebied geweest (resolutie 242) en komt dus hoe dan ook aan de Palestijnen toe. Evenwel hebben de IsraŽli's er inmiddels vlijtig voor gezorgd dat de Palestijnen, via de nederzettingenpolitiek, in de minderheid zijn geplaatst. Ten tweede: het plan dat de IsraŽli's in Camp David in het achterhoofd hadden, was niet meer of minder de creatie van enkele (we herhalen) bantoestans: de Westelijke Jordaanoever zou in drie stukken moeten worden gekapt. Over elk van die drie stukken komen nog eens bypass roads (onder IsraŽlische militaire controle dus) die de nederzettingen onderling met mekaar moeten verbinden. Verder zou ook een strook langsheen de rivier de Jordaan geannexeerd moeten worden. Ongetwijfeld om de IsraŽlische watervoorziening verder veilig te stellen.

Arafat mag tekenen wat hij wil, de Palestijnen in de straat weten wat ze willen en tot waar ze willen gaan.

Zeg nu zelf...

Ludo De Brabander,
VZW vrede