Matthias Laevens - Alain Finkelkraut en de opmars van de radicale politiek

Door de val van de Berlijnse Muur en het communisme, kwam er een einde aan het radicale politieke denken, al bleek het achteraf een kort intermezzo te zijn geweest. De ambitie in de politiek méér te realiseren dan alleen formele rechten en een burgerlijke democratie was de hoofdoorzaak van het falen en de ondergang van de zogenaamde “volksdemocratieën” die Oost - en Centraal Europa bijna een halve eeuw in hun greep hielden. De radicale politiek is terug, sterker en wijder verspreid dan ooit, bevrijd en verlost van de last van het reëel bestaande socialisme.

De term zelf, radicale politiek, kreeg onder andere door Jean-Jacques Rousseau's invulling. “Ik haat onderworpenheid als de bron van alle menselijk ellende”. Zo wordt voor het eerst het probleem van het kwaad een volledig sociaal en historisch probleem. Immers als onderdrukking de bron is van alle menselijke onvolmaaktheid, leed en rampzaligheid en de bron van het kwaad niet in de menselijke natuur gevonden kan worden - volgens Rousseau is de mens van nature een goed wezen (in tegenstelling tot Hobbes Homo homini lupus est, de mens is een wolf voor z’n medemens) - dan kan onderdrukking met politieke middelen bestreden worden en verslagen worden. We treden het tijdperk in van de politiek als oplossing. Maar dat heeft wel een belangrijk gevolg: wat vroeger onophefbare spanningen waren, worden nu tegenstrijdigheden. Gevolg: er is geen kloof meer tussen rede en werkelijkheid, geen onderscheid meer tussen wetenschappelijke wetmatigheden en morele wetten, geen spanning meer tussen vrijheid en noodzaak; alle verschillen zijn opgegeven.
Maar er waren ook dissidente stemmen, zoals Solzjenityn, dit tot het inzicht kwam dat het totalitarisme niet het fiasco is van de menselijke droom van goedheid en geluk, maar net het resultaat ervan. Absolute onderdrukking komt voort uit de idealistische reductie van de menselijke realiteit tot het probleem van de onderdrukking. De politiek moet het overmoedige idee opgeven dat zij overal voor kan zorgen en dus op alle terreinen van het menselijke leven present moet zijn. Wie het “ultieme kwaad” wil vermijden, moet de illusie laten varen dat het kwaad een historisch element is, dat door bepaalde instanties of individuen wordt belichaamd.
Samen met de dissidente stemmen verdween ook het communisme en stak de radicale politiek terug de kop op. Volgens Finkeilkraut zijn daar twee redenen voor. Ten eerste is er na de val van de Muur, nog maar één echte supermacht, de V.S. Deze hypermacht brengt de fantasie van almacht terug tot leven en daarmee ook de idee van de oermisdaad. Als Amerika schuldig is aan alles, dan betekent dat dat alles opgelost kan worden. Met andere woorden, het kwaad wordt terug een politiek probleem.

Een tweede reden vormt de technologische ontwikkeling. De oppositie tussen natuur en technologie, tussen wat vanuit zichzelf gebeurt en wat geproduceerd wordt, is meer en meer vervaagd. De mens is overal aanwezig. Dat betekent ook dat bij ieder ongeluk iemand gefaald heeft en er een schuldige kan of moet worden aangewezen. Zo keert de radicale politiek terug en dringt ze zelfs binnen het pleidooi voor de democratie zelf. Toch mag de gedachte dat de mens een grotere verantwoordelijkheid heeft omdat hij overal aanwezig is, niet te snel worden uitgelegd als het radicale idee dat hij schuldig is aan wat er allemaal rond hem heen gebeurt.
Finkielkraut legt dit uit met twee concrete voorbeelden. In Frankrijk heeft men een groene partij die aan de ene kant de regering van alles en nog wat beschuldigt en aan de andere kant opkomt voor de natuur en de rechten van de mens. In feite verdedigt ze de natuur in naam van de mensenrechten. Dit vormt een regelrecht contradictie, want als je de natuur wilt verdedigen en beschermen, zal je sommige mensenrechten moeten begrenzen. In de ogen van de groenen is dat allemaal de verantwoordelijkheid van de regering. Een tweede voorbeeld is de hittegolf die in Frankrijk tijdens de zomer van 2003 zoveel slachtoffers maakte. De radicalen, zowel de progressieve als de democratische waren de mening toegedaan dat het de schuld van de regering was. De maatschappij was onschuldig, de staat had het gedaan.
Een typisch kenmerk van radicale politiek is de tegenstelling tussen goed en fout, uitgedrukt in politieke termen van onderdrukker versus onderdrukte. De onderdrukker is bij uitstek slecht en de onderdrukte vertegenwoordigt de goedheid in hoogsteigen persoon. Nu zien we weliswaar mensen die beweren deze radicale ideeën te hebben afgezworen en de democratie te hebben omarmd, maar die vervolgens anderen als ondemocratische lieden buitensluiten. Dit is niet zozeer een bewijs van kwade trouw, maar openbaart veeleer de diepe dubbelzinnigheid van de democratie zelf. Volgens Finkielkaut heeft het denken in termen onderdrukte-onderdrukker het sterkst wortel geschoten onder de mensen die zich verenigen onder de paraplu van het antiglobalisme. Antiglobalisten lijken zich alleen maar zorgen te maken over de verworpenen en zwakkeren, maar in feite interesseren ze zich absoluut niet voor de Tibetanen, de Koerden, de Tsjetsjenen enz. Bush en Sharon (of Busharon zoals de twee in Frankrijk worden genoemd) zijn in de ogen van de antiglobalisten één personage, de incarnatie van de onderdrukking. Op het feit dat het antisemitisch geweld in toenemende mate afkomstig is van jongeren van Noord-Afrikaanse afkomst, antwoordt Finkielkraut dat er in Frankrijk een monsterverbond is tussen Noord-Afrikaanse moslimjongeren en antiglobalisten. Wie iets op deze eersten aan te merken heeft, wordt door de antiglobalisten tot racist benoemd. Ook al geven die Noord-Afrikaanse jongeren absoluut niet om de idealen van de antiglobalisten. Nee, zij verafschuwen het Westen en het beste wat het Westen te bieden heeft: gelijke kansen voor mannen en vrouwen, de bereidheid tot het leveren van zelfkritiek of het sluiten van compromissen. Het vermeende slachtofferschap van de moslims en het louter nog kunnen denken in termen van onderdrukkers versus onderdrukten, maakt de antiglobalisten blind voor deze verschillen.

Alexis de Tocqueville schrijft dat democratie door de voorzienigheid beschikt is, omdat ze onbedwingbaar is, een niet te stuiten beweging. Het is een universeel en duurzaam proces dat zich ontrekt aan het dagelijkse leven, aan de menselijke controle en lijft zo ieder individu bij zich in. Democratie is voorbeschikt, omdat ze onbedwingbaar is en bovendien is ze meer in overeenstemming met de bijbel, aldus de Tocqueville, dan een aristocratische maatschappij (de Tocqueville was een aristocraat). Democratie mag dan wel onbedwingbaar zijn, we kunnen haar wel matigen en civiliseren. We, dat zijn de bestuurders. Het is hun eerste taak de democratie op te voeden, haar de begeesteren met ideeën, instaan voor de disciplinering van haar mores en het controleren van haar daden. Kortom de boodschap van de Tocqueville is: we moeten niet ten strijde trekken tegen de democratie, maar haar wel civiliseren.
Toch denkt niet iedereen daar zo over. Ze vallen uiteen in twee soorten: ten eerste heb je de reguliere, progressieve radicalen die beweren dat de democratie een leugen is en dat er achter de schermen nog steeds een gevecht gaande is tussen onderdrukker en onderdrukte. Ten tweede heb je zij die veeleer het democratisch proces op zich radicaliseren. Zij willen de democratie niet opvoeden, maar haar van al haar beperkingen bevrijden. Ze verwijzen naar de democratie als het bestel van discussie en pluraliteit, maar nemen er in feite zelf een loopje mee. Zo komt men tot de dubbelzinnigheid van de moderne democratie, die zowel een bestel is als een proces (of een beweging). Men kan ze aan de ene kant beschouwen als een landschap en aan de andere kant als een trein die zich door het landschap beweegt. Als je dan aan de laatste groep van radicalen zou vragen democratie te omschrijven, dan hebben zij het over een regeringsvorm of over een bepaalde soort maatschappij, dus over een democratie als een te cultiveren landschap. Wat ze in feite voorstaan, is niet een vorm, maar wel een beweging, een kracht als een voorbij razende trein. Ondanks hun beweringen van het tegendeel vormt de mensheid voor deze democratische radicalen niet een pluraliteit van stemmen. Ze belichaamt een historisch subject dat stap voor stap dichter bij de ware essentie komt: volledige vrijheid en absolute gelijkheid. Wie in die zin democraat wil zijn, moet de beweging die deze idealen verdedigt, willen versnellen, recht tegenover zij die haar willen vertragen of zelfs zouden willen terugdraaien. Alles moet volgens de nieuwe radicalen worden opgenomen in de beweging van vrijheid en gelijkheid.
Het feit dat we allemaal gelijk zijn, betekent dat uitsluiting moet worden uitgesloten. Elk verschil verdwijnt en grenzen verliezen hun betekenis. De grens is de nieuwe grens van de democratie. De conclusie is duidelijk: Turkije moet Europees worden. Anders gezegd: Europa is geen substantie, die onderscheiden kan worden van andere substanties. Ze vormt niet een specifieke beschaving, geen cultureel erfgoed. Met andere woorden, ze is een beweging, een democratisch proces.

Voor Finkielkraut is de ideologie van het antiglobalisme, maar één variant van wat hij omschrijft als de “radicalisering van de politiek”. Een ander duidelijke wijze waarop je de radicale politiek aan het werk ziet, is de wijze waarop sommigen met het begrip democratie marchanderen. Democratie, dat is een regime waarin het pluralisme fundamenteel is, waarin álles aan debat onderhevig is. Wat ooit is beslist werd op grond van dwang en dogma’s is in een democratie onderwerp van discussie. Dat betekent ook dat niemand weet welke argumenten op voorhand zullen winnen. Maar ook dat geen enkele opinie bij voorbaat de juiste is. Een democraat is op voorhand bescheiden. We weten niet alles en iemand anders kan het ook bij het rechte eind hebben. Deze opvatting wordt volgens Finkielkraut echter door steeds minder mensen gedragen. Met name in het progressieve kamp is er een nieuw begrip ontstaan. Democratie is daar een proces dat leidt naar een vooraf bekende uitkomst. Democratie, dat ís volgens de progressieven het weggeven van aidsmedicijnen aan Afrikanen door farmaceutische firma’s. Democratie ís evenveel vrouwen als mannen in het openbaar bestuur, enz. Democratie is kortom het uitvoeren van het progressieve programma. Het is dus in feite een democratie die al op voorhand samenvalt met haar uitkomst. Een democratie zonder discussie, zonder pluralisme, zonder de mogelijkheid dat je ongelijk hebt. En wie aan die vooraf gekende uitkomst twijfelt is geen democraat en mag aldus niet meer meedoen.
Een reactionair verzet zich ook naar het streven naar absolute vrijheid. Finkielkraut verduidelijkt dat met het volgende voorbeeld: homoseksuelen kunnen in Frankrijk enkel een samenlevingscontract krijgen, ze mogen niet huwen. Toen binnen een homoseksueel koppel één van hen overspel pleegde, oordeelde de rechter op basis van hun samenlevingscontract dat ze tot een monogaam samenleven waren gehouden. Dit werd prompt als reactionair bestempeld, omdat deze interpretatie van het samenlevingscontract beperkingen oplegt aan de partner die een relatie wil beëindigen door middel van een aangetekende brief. In een huwelijk is dit vooralsnog onmogelijk. Het reactionaire in deze uitspraak schuilt volgens degenen die de democratie niet zien als een landschap, maar als een trein, in de daarin vervatte idee van autoriteit, traditie en heteronomie, kortom in de gedachte dat wetten van buitenaf worden opgelegd. Volgens hen, zou een democratische wet van binnenuit moeten komen, als een autonome beslissing. Mensen worden vrij geboren, maar zij zijn alom geketend in hun eigen beloften, aldus de kampioenen van de revolutionaire democratie. Het gewicht van onze wereld, met daaromheen een onzichtbare muur, opgetrokken tussen zwaarte en lichtheid, staat op het spel. De radicale democraat is verdediger van de lichtheid, die hij opvat als het resultaat en het einddoel van de geschiedenis. Licht betekent verlichting en verlichting betekent vrijheid. Daartoe moeten alle gewichtige tradities verdwijnen.
Finkielkaut sluit af met drie vragen. Binnen de opvatting van de radicale democratie, niet als landschap, maar als trein, als proces, wat is daar democratisch aan? Want als ze slechts bestaat in de beweging, dan is democratie helemaal niet mogelijk. Dan blijft enkel de democratische positie over van degene die in de democratische trein zit. Daartegenover is er maar één reactionaire positie: die van degene die niet op de trein gesprongen is. Als tweede vraag stelt Finkielkraut ons voor de volgende keuze: als het democratisch proces bestaat, moeten we daaraan dan gehoorzamen of er weerstand aan bieden?
Ten slotte maakt hij ook de bemerking: komen beide versies van de radicale politiek, de progressieve en de democratische, niet tezamen neer op de vernietiging van de verantwoordelijkheid? De progressieve versie vervangt de eigen verantwoordelijkheid door de oermisdaad, waardoor er slechts één schuldige kan aangewezen worden. De tweede variant vat haar op als een verdoemenis, een zwaarmoedige rest in een wereld waarin het bestaan luchtig en gelukkig is.

Matthias Laevens

Penningmeester LVSV Gent

>klik hier om terug te keren naar het overzicht van de lvsv-publicaties