Pieter Coene: Anti-trust: planeconomie in de 21e eeuw
Na de val van de Berlijnse Muur en het ineenstorten van de Sovjetunie leek het erop dat de vrije markteconomie definitief de ideologische strijd gewonnen had. De geleide economieën van Centraal – en Oost Europa bleken niet te werken en werden niet gesteund door de plaatselijke bevolking. Volgens sommigen was het falen van het communisme in deze landen te wijten aan slecht management: het communisme is op zich een schitterend systeem, alleen was er iets mis gegaan bij de omzetting van theorie naar praktijk. Mochten de communistische idealen door betere, intelligentere bestuurders geïmplementeerd zijn geweest dan zou de bevolking van Centraal- en Oost-Europa nu in het paradijs op aarde leven. Deze veronderstelling, geuit door ideologen die maar niet kunnen toegeven dat hun denkwerk op niets gestoeld was, is natuurlijk een ontkenning van de realiteit. Het communistisch blok is niet in elkaar gestuikt door slecht bestuur, maar door de inherente fouten eigen aan de ideologie van de planeconomie. Een geleide economie zal nooit werken, zelfs al wordt het centrale planbureau bevolkt door supermensen. Het falen van de geleide economieën betekent echter niet dat de vrije markt economie gewonnen had of dat de vrije markteconomie de dominante ideologie werd. De aanhangers van de vrije markteconomie zijn tegenwoordig even zeldzaam als de aanhangers van de planeconomie zoals die bestond in Centraal- en Oost-Europa. De dominante stroming vandaag is die van de gemengde economie: de vrije markt is – of we dit nu leuk vinden of niet- het beste systeem voor de productie en allocatie van goederen en diensten, maar bevat ernstige fouten en dient dus sterk gereguleerd te worden door de overheid. Deze regulering uit zich op verschillende vlakken: sociale wetgeving, consumentenbescherming, milieuregulering en natuurlijk ook het tegengaan van zogenaamd dominante marktposities en daaruit volgend machtsmisbruik, zoals het monopolie en het kartel, ook wel bekend als anti-trust . Volgens de aanhangers van de gemengde economie is er immers slechts sprake van een echte vrije markt als geen enkele speler op de markt een te groot marktaandeel bezit of als er geen prijs- of productie afspraken zijn tussen de verschillende spelers op de markt. Dergelijke veronderstellingen zijn echter fundamenteel verkeerd en een beleid van anti-trust zal niet leiden tot een “vrijere” markt, maar is integendeel een verdoken vorm van planeconomie en vergroot alleen maar de invloed van de overheid op de economie, ten nadele van de consument.
Wanneer er wordt gesproken van dominante marktposities en/of machtsmisbruik, worden meestal twee gevallen vermeld: het monopolie en het kartel. Laat ons deze situaties even nader bekijken. Volgens standaard handboek basiseconomie is klassiek monopolie een situatie waar er slechts één aanbieder is van een bepaald goed of dienst. Deze aanbieder zal, gebruik makend van de door hem gekende vraag, zijn productie zo bepalen dat hij zijn winst maximaliseert. In vergelijking met een situatie van volkomen concurrentie zal de productie lager zijn en zal de prijs hoger zijn, een dubbel nadeel voor de consument dus. Volgens deze redenering zijn monopolisten dus schadelijk en moet hun dominante positie verbroken worden door overheidsoptreden. Dit is echter een beperkte en vooral erg statische kijk op het economische productieproces. Verschillende zaken worden hierbij over het hoofd gezien. Een monopolist heeft in tegendeel tot wat men op het eerste zicht zou denken wél concurrenten . Enerzijds zijn er altijd substituten aanwezig, de NMBS mag dan bijvoorbeeld wel het monopolie hebben op het personenvervoer per trein in België, als zij haar prijzen zou verdubbelen zouden de meeste reizigers overstappen op andere vervoersmiddelen zoals auto, bus of fiets. Anderzijds zijn er altijd de concurrenten van morgen die de monopolist onder druk zetten: een monopolist die misbruik maakt van zijn positie op de markt, trekt andere aanbieders naar zijn markt. Een markt die gedomineerd wordt door één speler die misbruik maakt van zijn positie is immers een markt waar winstmogelijkheden liggen. In dergelijke markt zijn de instapkosten laag, in tegenstelling tot een markt met vele spelers die elkaar beconcurreren – een markt die dus neigt naar het ideaal van volkomen concurrentie- en waar er quasi geen sprake is van overwinsten. Het klassiek monopolie zoals het besproken wordt in de handboeken economie bestaat dus eigenlijk niet, het enige schadelijke monopolie is een overheidsmonopolie waar één producent door regulering een dominante marktpositie heeft en de toegang tot de markt niet vrij is. Het wettelijk tegengaan van monopolies heeft nog andere nadelige gevolgen, het tast immers het vrije ondernemerschap op zich aan . Elke ondernemer streeft naar een monopolie. Door betere producten aan te bieden of lagere prijzen te vragen tracht hij zijn concurrenten uit de markt te werken. Betere producten en/of lagere prijzen zijn echter in het voordeel van de consument, overheidsbeleid dat monopolie-vorming tegengaat is dus een consumentonvriendelijk beleid. Een overheid die tracht monopolies tegen te gaan door te interveniëren en de concurrentie wil “bevorderen” voeren geen pro-vrije markt beleid maar proberen juist de economie te plannen en remmen de vooruitgang en welvaart. Monopolisten hebben dan wel een dominante positie maar deze is steeds tijdelijk en zal verbroken worden door innovatieve concurrenten en zeker niet door bureaucraten.
Een andere verfoeide marktvorm is het kartel. Het kartel wordt gekenmerkt door enkele aanbieders van een bepaald goed of dienst, een oligopolie, die samenwerken. Deze samenwerking kan bestaan uit prijs- en/of productieafspraken. Net zoals een monopolie lijkt een kartel schadelijk voor de consument: door prijsafspraken zal de prijs hoger liggen dan bij volkomen concurrentie en door productieafspraken zal de totale output lager zijn . Ingrijpen van de overheid lijkt dus wenselijk. Ook hier echter moet er met de nodige voorzichtigheid naar deze “problematiek” gekeken worden. Net zoals bij monopolie zal een markt waarbij de verschillende spelers een kartel vormen en hierdoor de consument benadelen aanleiding geven tot nieuwe concurrenten. Op dergelijke markt liggen immers winstkansen. Voorwaarde hierbij is natuurlijk dat – net zoals bij monopolie- de markttoegang vrij is en niet belemmerd wordt door wettelijke beperkingen. Een kartel wordt echter ook van binnenuit bedreigd. Hoe meer leden een kartel immers telt, hoe groter de stimulans voor één van de leden om zich als free rider te gedragen en zich niet aan de prijs- of productieafspraak te houden en zo een grotere winst op te strijken. Hierdoor verdwijnt het kartel echter en komen we terug in een situatie die meer neigt naar volkomen concurrentie. Kartels met negatieve gevolgen voor de consument zullen dus vanzelf verdwijnen. Sommige kartels kunnen echter ook positieve gevolgen hebben. Wanneer bijvoorbeeld twee ondernemingen een productieafspraak maken is het mogelijk dat elke onderneming zich specialiseert in datgene waar zij een comparatief voordeel in heeft, met hogere kwaliteit als gevolg. Ook is het mogelijk dat wanneer twee of meerdere ondernemingen fuseren zij hierdoor kunnen genieten van positieve schaaleffecten en dat hierdoor de prijs daalt. Prijsafspraken kunnen dan weer positieve gevolgen hebben voor de werknemers tewerkgesteld in de bedrijven die een kartel vormen. Stel dat een bepaalde sector in moeilijkheden komt door een nieuwe uitvinding, zoals bijvoorbeeld de karrensector overkwam bij de opkomst van de auto. Wanneer een sector, die gekenmerkt wordt door volkomen concurrentie, in moeilijkheden komt, zullen de minst efficiënte bedrijven snel verdwijnen. De werknemers van deze bedrijven worden werkloos en zullen waarschijnlijk moeilijk een andere baan vinden. Wanneer de betrokken bedrijven echter prijsafspraken maken, zal het proces van creatieve destructie vertraagd worden en zullen de bedrijven langer in leven blijven. Hierdoor hebben de werknemers meer tijd om zich voor te bereiden op het nakende verlies van hun baan en kunnen zij zich bijvoorbeeld bijscholen. Wanneer hun bedrijf verdwijnt – wat in ieder geval zal gebeuren- zullen zij beter gewapend zijn om een nieuwe betrekking te vinden. Prijsafspraken kunnen dus een sociaal bloedbad vermijden of toch alleszins verminderen.
Pieter Coene
Politiek Secretaris LVSV Gent
>klik hier om terug te keren naar het overzicht van de lvsv-publicaties